Goodbye Colombia, farewell flying?

So after two months in Colombia I’m going home. As in all of my travels, this trip too I had plenty enough time to contemplate.

Traveling has brought me much. Ever-changing horizons. Immersion in nature. A sense of freedom. The ability to adapt and be flexible. Open-mindedness towards different cultures and lifestyles. A different way of taking in the world.

It made me experience firsthand that the world is incredibly beautiful. But also that there are too many people living here (ever tried to get on a subway in Manila, the Philippines, during rush hour?)

Anyone who knows me only a little bit knows about my concerns about the future of this amazing planet. We are all in this together, and for me it doesn’t feel right just pointing fingers at others. While governments certainly do need to take tough action, they derive their courage to do so from the conduct of citizens.

I also firmly believe it’s about changing our mindsets. Maybe not everything is meant to be within our reach. With ‘everything’ we are depleting our planet’s resources and destroying its beauty.

To me, it’s about giving up certain things in an attempt to live more in balance with nature. It’s about wanting more of less.

I wish I could be bold enough to say I will never get on an airplane again. I can’t promise that. Travelling has become part of my identity. I have considered myself a traveller for quite some years now. I guess it’s time to leave this part behind me, though, be thankful for all it has brought me and find joy and fulfillment in different areas of my life. After all it’s in the small things, the little gestures, if only you don’t let these moments slip away unintentionally.

Ghandi said: “All the tendencies present in the outer world are to be found in the world of our body. If we could change ourselves, the tendencies in the world would also change. As a man changes his own nature, so does the attitude of the world change towards him. This is the divine mystery supreme. A wonderful thing it is and the source of our happiness. We need not wait to see what others do.”

Or, a bit more catchy:

Be the change you wish to see in the world.

scribam

Guadalupe (Colombia)

Na flink wat uren in twee bussen (waarvan één de hele rit over een onverharde weg) zit ik in de 4×4 naar Guadalupe. De weg ernaartoe is vrijwel volledig geasfalteerd, wat (denk ik) betekent dat het toerisme hier op gang begint te komen. Het uitzicht tijdens de rit is adembenemend. Overal weelderig groen in alle tinten, hier en daar een boom met mandarijnen en in de verte de bergen.

Ik kijk m’n ogen uit naar de prachtige omgeving, dus het valt me niet op dat mijn overbuurvrouw er een plastic zakje bij pakt en deze naar haar mond brengt. Horen doe ik het direct; het onmiskenbare geluid van een local die niet tegen de slingerende bochten kan.

Terugblik naar Myanmar, juni 2014. Een bus in de bergen vol Burmezen. Één voor één halen de reizigers een plastic zakje tevoorschijn om hun maaginhoud in te legen. Wout – mijn toenmalige vriend die zelf ook last heeft van wagenziekte – probeert aan de vrouw aan de andere kant van het gangpad uit te leggen dat ze beter door de voorruit kan kijken als ze zich misselijk voelt. De vrouw kijkt Wout glazig aan, daarna laat ze haar hoofd hangen en knijpt ze haar ogen dicht met een gepijnigde gezichtsuitdrukking… om vervolgens een tweede zakje vol te kotsen.

Maar ik ben niet in Myanmar. Ik ben in Colombia en wie weet heeft de vrouw tegenover mij wel wat aan deze tip. Ik vertel het haar (jazeker, in het Spaans) maar krijg dezelfde reactie als Wout kreeg van de Burmese dame. Ze vervolgt de rit door haar hoofd op haar arm te laten steunen en haar ogen stijf dicht te houden. De zak met kots wordt wel “netjes” buiten boord gegooid (SPLAT!)

Inmiddels ben ik een dag en twee verbrande knieholtes verder. Maar wat een prachtige wandeling heb ik vandaag gemaakt. Ik voelde me net Heidi, behalve dan dat de paar mannen die ik tegenkwam (al dan niet te paard) cowboyhoeden droegen.

Het pad wat ik volgde, leidt naar “las gachas”, een rivier die over roodgekleurde rotsen loopt. Het uur dat ik er doorbracht, was er niemand te bekennen. Heerlijk.

Het water van de rivier is zo oppervlakkig dat je gewoon over de rotsen stroomopwaarts kunt lopen (wel met sokken, want glibberig!). Her en der zijn grote ronde gaten die zich vullen met het water en waarin je jezelf kunt onderdompelen. Heel bijzonder, ik zou wel willen weten hoe ze zijn ontstaan. En ja, dat heb ik al geprobeerd te googlen.

scribam

El Paredon

There’s this magical thing that happens when I’m almost about to go home after travelling for a while. In those last few weeks before boarding that airplane to Europe, colours seem brighter and great people enter my life. Once I was celebrating Christmas in a ‘bubble’ in Thailand, the other time I was stuck in a village due to the earthquake in Nepal, and now I spent two weeks at the Guatemalan coast, learning how to surf.

Processed with VSCOcam with f2 preset

I’ve seen the sun rise and set above the very same ocean. I saw dozens of baby turtles being released into the big blue. One night, I was watching the sunset with a friend when all of a sudden a dolphin jumped out of the water. Turned out there were two, both jumping out of the water and twirling in the air as if they were dancers. So amazing!

Processed with VSCOcam with a5 preset

Playing card games with the Aussies, salsa dancing with the Spanish, laughing my ass off with the British, being at home with the Austrians, getting surf tips from the French and being cheered on as I catch a wave by the Guatemalan.

It’s hard to describe those moments when you feel pure happiness and connectedness with where you are and who you’re with. I loved El Paredon! And I got a great gift from someone; a handmade solar powered lamp, made out of a dried fruit, that says ‘El Paredon’. To remember all the waves, the wipe-outs, the kindness, the laughs, the dancing and of course – the hammock-chilling.

scribam

Eilandliften

Ik vraag de dame achter de receptie of ze mijn rekening wil opmaken omdat ik zometeen wegga. Ze lijkt mijn Spaans te begrijpen want ze zegt ‘sí’ en knikt met een glimlach. Ik loop naar mijn hangmat+kluis om m’n tas in te pakken. Terug bij de receptie staan er wat mensen voor me. Als ik eenmaal aan de beurt ben kijk ik hoopvol in de ogen van de mevrouw die rustig een groot boek tevoorschijn haalt. Ennnnn maar zoeken naar mijn naam. Na een halve minuut nog geen succes geboekt te hebben vraagt ze me maar welke dag ik aangekomen ben. Op een donderdag. Zo, nu vindt ze het wel. De rekenmachine wordt erbij gepakt. En bedankt voor het alvast opmaken van mijn rekening, joh. Super. Ik vertel haar dat ik een beetje haast heb omdat ik de bus van half 10 moet pakken en dat is ook nog eens 20 minuten lopen. Het lijkt haar niet veel te deren.

Twintig minuten later loop ik de weg af waar de bus langs moet komen. Ik vraag een man bij een fruitstand of de bus al is langs geweest. Dat is ie al ja. Hoe laat komt de volgende dan? Over twee uur. Ik zucht, loop verder en word vanbinnen een beetje boos op dat stomme wijf dat niet even van te voren de kosten van mijn nachtjes slapen en maaltijden had kunnen uitrekenen. Maar ik ben ook “The power of Now” aan het lezen en volgens “The power of Now” moet je je niet laten overnemen door je emoties maar de situatie accepteren zoals hij is, alsof je hem zelf gekozen had. Want als je dat doet, zul je zien dat de wereld ineens met je meewerkt in plaats van tegen je. Of zoiets.

OK, dus wat zijn mijn opties. Ik kan hier een paar meter verderop het strand oplopen en daar twee uur wachten of ik kan gaan liften. Ik besluit voor de tweede optie te gaan. Dat valt nog niet mee als er maar 1 auto per kwartier langskomt. De vierde auto die langskomt (slechts 45 minuten wachten), wil me wel een lift geven. Het is een pick-up truck met drie arbeiders in de laadbak. Ik laad mijn tas en mezelf in en geniet van de wind en zon in m’n toet. Onderweg stoppen we een aantal keer, om houten planken af te geven bij huizen. Ik kan een flink eind meerijden tot de plaats waar de mannen moeten werken.

Mijn tweede lift komt een stuk sneller, al na tien minuten. Het is een man met een kano in de laadbak en ik mag op de passagiersstoel zitten. Deze man spreekt vrij goed Engels dus we hebben een beetje een gemixt Spaans/Engels gesprek. Hij zet me het dorpje voor de plaats waar ik de ferry moet hebben af. Nog twee kilometer naar Moyogalpa, zegt hij. Ik kijk op mijn iPod en zie dat het nog twee en een halve kilometer is. Dat kan ik wel lopen, of misschien kan ik nog wel een lift krijgen. Na een stukje lopen hoor ik in de verte het geluid van een motor. Er komt een wit busje aan. Ik steek mijn duim op maar besef me al gauw dat dit een toeristenbusje is waar je voor moet betalen. Ach, het is het proberen waard. De chauffeur stopt en ik vraag hem hoeveel het moet kosten naar Moyogalpa. “Cinco”, zegt hij. Vijf dus. “Cinco córdobas?”, vraag ik. “No, cinco dólares.” Ik proest een geluid van verontwaardiging uit mijn mond. “Moyogalpa is nog maar twee kilometer!”, zeg ik. De chauffeur liegt dat het nog vijf kilometer is. Ik wuif hem weg en terwijl hij optrekt probeert hij me nog mee te krijgen voor vier, drie en dan twee dollar. Nee bedankt, oplichter.

De volgende auto komt nog geen twee minuten later voorbij en die neemt me wel gewoon voor nop mee. Zijn dochtertje zit in de laadbak dus ik klim gezellig bij haar achterin en praat wat over haar school, familie en waar ze woont. Eenmaal aangekomen in Moyogalpa laat ze me zien waar de ferry gaat en rent dan vrolijk weg. Nou, het heeft meer dan twee uur geduurd maar hier ben ik dan. Ik baal er een beetje van dat ik nu een stuk later op weg ben dan ik zou moeten zijn, maarreh “The power of Now” hè, je weet het. Op de ferry kom ik een groep meiden tegen die vanuit Santa Domingo de bus hadden gepakt. Dat is vlakbij waar ik vandaan kwam. “Hoe laat hadden jullie de bus dan?”, vraag ik ze. “Half 10.” Bleek de bus er ook twee uur over gedaan te hebben.

Mooi.

scribam

Changing tracks

Een week vol afscheid. Van een vriendin, van mijn gitaar, van mijn liefde. Na twee nachten op vliegveldbankjes bivakkeren, loop ik de dageraad tegemoet. Dag nieuwe dag! Ja, een nieuwe dag. Een nieuw hoofdstuk. In een nieuw land.

Ik loop een paar honderd meter naar een bushokje aan de grote weg. Slechts op enkele bussen die langskomen zie ik de bestemming staan. Hopelijk gaat het goedkomen. Al binnen tien minuten komt er een bus voorbij met ‘Tipitapa’ achter de voorruit. Yes, dat is een bus die ik kan pakken.

Ik houd de bus aan en ja hoor. Stampensvol natuurlijk. Ik betaal met een dollar en krijg 20 córdobas als wissel terug. Nu ben ik echt in Nicaragua. Omdat alle stoelen en het hele gangpad bomvol staat met menschen, blijf ik maar naast de buschauffeur staan. Die kan daardoor de deur van de bus niet meer sluiten, dat moet namelijk handmatig. Ach vooruit, gewoon goed vasthouden en zorgen dat je niet de bus uitgeslingerd wordt wanneer er wordt geremd.

Op het busstation van Managua moet ik overstappen op de bus naar Masaya. Die is makkelijk te vinden omdat er buiten een man heel enthousiast “Masaya Masaya Masaya!” staat te roepen. Kijk, zo heb ik het graag. Ik ben op tijd dus er is gelukkig nog net een plekje vrij op een stoel. Aangekomen in Masaya, vind ik binnen no time de bus naar “Granada Granada Granada!”. Wegens ernstige slaapdeprivatie dommel ik af en toe weg. En wat denk je? TELEFOON EN PORTEMONNEE GEJAT! Haha nee, grapje (afkloppen!). Ik word op mijn knie getikt want ik moet 10 córdobas betalen voor de bus. Dat kan er nog wel vanaf.

In Granada vind ik een goedkoop en rustig hostel. Ik neem een douche. Koud natuurlijk. Maar het is warm buiten dus het voelt heerlijk. Ik barst in janken uit. Wat is er veel gebeurd in zo’n korte tijd. Alles is ineens anders. En ik ben ineens alleen.

Slaap is wat ik nodig heb. En de dorm heeft geweldige bedden (tweepersoons!). Gelukkig voel ik me een stuk beter als ik wakker word. Het is tijd om het stadje te bekijken. Het stadje waar ik inmiddels voor de derde dag ben en vanochtend mijn eerste les Spaans heb gehad. Nog tijd genoeg om stil te staan. Ik ga door.

And I thought to myself oh, son

You may be lost in more ways than one

But I’ve a feeling that it’s more fun

Than knowing exactly where you are

scribam

Roadtrippin’

Camping: 5x
Hotel: 2x
Friends: 6x
Car: 2x

Money spent on accommodation: $0

The last two weeks have been awesome. Our roadtrip led us to Death Valley, where we saw the moon rise from our tents. From Mono lake to Yosemite, where deer bopped around and we walked through the biggest trees on earth. We had our third avocado picnic at pretty lake Tahoe. We survived a camp spot in the woods with a creepy doll shrine (we favoured this place over a field full of gun shells). We drove through the redwoods and hit the ocean shore, where we saw sea lions and pelicans. That night, instead of finding a free camp spot, we found three beach parties: AA on holiday, a motorcycle gang, and a group on its way to Burning Man.

We drove through the life of our dear friend from camp, Meghan Drama, and went on a cheap winetasting tour with her. SF brought us a parrot, a reunion with a travel friend we met in Nepal, and a camping experience in someone’s backyard. We drove from Santa Cruz to Missy’s friends, who happened to be the drummer from Weezer and his wife. We went bodyboarding in the ocean and got a flat tire at Taco Bell. Friendly Meghan’s mom took us into her house and gave us tickets to Fiddler on the roof. We saw a desert fox and a cayote in Joshua tree national park (yes, animals). Our last stop was San Diego, where Missy’s friend Lisa made us an awesome meal.

Such generosity and kindheartedness have we experienced during this roadtrip. And what beauty have we witnessed. How else can I conclude this post than with the euphoric words of my dear travel companion and friend, Missy. “YES, God!”

scribam

Jubileum

365 dagen is een jaar. Omgekeerd is dat 563 dagen. Het aantal dagen dat ik samen ben met niet alleen de knapste en de leukste, maar ook de meest onvoorstelbare en intrigerende man. Van de 563 dagen hebben we 193 aan de andere kant van elkaars wereld geleefd.

We hebben ranzige hotels, verstikkende hitte en knagende verveling overleefd. We hebben gekotst en gediarreed, al dan niet met kakkerlakken in de badkamer. We hebben gelachen en gehuild. Dat laatste vooral ik. We hebben een motor in India gekocht en die naar Nepal gereden. Dat rijden vooral jij. We hebben een aardbeving meegemaakt en we hebben ontdekt er een minitrauma aan overgehouden te hebben.

We zijn één geweest met bossen, bergen en zeeën. We hebben zoveel indrukken opgedaan. Ongelooflijk bijzondere mensen ontmoet. Wat hebben we in 563 dagen toch een hoop meegemaakt. Vele dagen waren opliftend, geweldig, vertrouwd. Sommige dagen waren meeslepend, en andere gewoonweg moeilijk.

Maar hoe geweldig is het om samen op plekken terecht te komen die we nooit hadden verwacht? Om niet te weten waar we op dag 600 zullen zijn, maar erop kunnen vertrouwen dat we er samen zijn.

Ik zeg misschien niet vaak genoeg hoe geweldig ik je vind, maar ik hou meer van je dan ik uit kan drukken.

scribam

Aardbeving

Tien minuten na het bezoeken van de op één na grootste grot van zuid-azië, voel ik de grond onder mijn voeten bewegen. “Aardbeving!”, roep ik opgewonden. Wat volgt is twee minuten lang balanceren terwijl de heuvel waarop we staan ineens niet meer vast is. Als ik de ervaring moet beschrijven, zou ik het eerder een aardzwiering dan een aardbeving noemen. Al napratend met onze Chileense en Indiase reisgenoten, lopen we terug naar ons dorpje Bandipur. Pas later zal ik me beseffen dat ik ooggetuige ben geweest van een natuurramp.

Aangekomen in het dorp zien we dat er veel mensen op straat zijn. In ons lokale eettentje horen we dat er meerdere huizen zijn ingestort. We zien veel gebouwen waarvan de muren zijn gebarsten en waarvan bakstenen zijn losgekomen. Door een raam op de bovenste verdieping van ons guesthouse (waar onze kamer ook is) kun je zien dat een muur is omgevallen. We mogen ons guesthouse nog niet in uit gevaar voor een nabeving.

Uit angst slapen veel dorpsbewoners de opvolgende week buiten. De eigenaren van ons guesthouse zijn eveneens nergens te bekennen, maar wij slapen toch gewoon binnen – zij het niet meer op de bovenste verdieping. De komende dagen en nachten voelen we af en toe een naschok, maar de schade daarvan in ‘ons’ dorp blijft beperkt tot vallende bakstenen.

We zien de schrijnende beelden uit Kathmandu en lezen in de krant dat een district op steenworp afstand van ons het heftigst is geraakt door de aardbeving. Aan de ene kant zijn we zo dichtbij deze nationale ramp en aan de andere kant staan we er ook ver vanaf omdat de omstandigheden in Bandipur niet te vergelijken zijn met de verschrikkingen die we van het nieuws meekrijgen.

Een aantal dagen na de aardbeving besluiten we te gaan helpen in het district waar zoveel dorpen volledig zijn verwoest. Met een groep van tien nemen we drie opeenvolgende bussen naar het stadje Gorkha. Onderweg zien we een cameraploeg, voedselpakketten die worden bewaakt door soldaten en een overvliegende helikopter.

Aangekomen in Gorkha worden we opgepikt door een vriend van de eigenaar van ons guesthouse. Hij brengt ons naar een shop waar we 100 kilo rijst, 25 kilo linzen, 20 pakken noedels en nog meer voorraad inkopen.

Met flink wat kilo’s op de nek marcheren de mannen van ons team richting het dorp wat we gaan bezoeken. Na een poosje neem ik de zak rijst van Noah over, maar binnen vijf minuten wil onze Nepalese chaperone hem alweer van mij overnemen. Ik zeg dat dat niet hoeft. Maar hij staat erop. “Give me, give me”. Niet het moment om mijn trots me in de weg te laten zitten, dus ik geef de zak over. Binnen no-time staat hij te poseren terwijl zijn zoontje wat foto’s van hem maakt. En floep, de zak wordt weer op Noah’s nek gedumpt.

Als we bij het dorp komen, zien we dat er nog maar één gebouw overeind staat. En zelfs dat gebouw is flink beschadigd. We kunnen het dak op om over de schade uit te kijken. Het is maar een klein dorp met 250 inwoners. Drie mensen zijn omgekomen tijdens de aardbeving, waaronder een baby van 10 maanden.

Een aantal mensen is bezig het puin op te ruimen. Ik vraag me af waar je in hemelsnaam zou moeten beginnen – overal liggen er gebroken stenen, hout en dakpannen.

Ik weet dat het sowieso maar een klein steentje is dat we bijdragen, en ik twijfel nogal over de nood van onze hulp aangezien het dorp best dichtbij de bewoonde (en bevoorrade) wereld ligt. Maar nabijheid is dan ook niet het probleem – er is bij veel families gewoon geen geld voor.

Wij zijn de eerste mensen die hulp komen brengen aan dit dorp. Een paar mannen komt kijken wat we meegebracht hebben. Ik voel dat onze missie is geslaagd wanneer ik op de gezichten geen dankbaarheid, maar opluchting zie.

scribam

Diertjes

Op reis zie je natuurlijk veel mooie dingen en maak je vaak iets bijzonders mee. Maar stiekem ben ik nergens zo lyrisch over als dieren. Toen ik een keer een hok met kuikentjes zag, stak ik zonder op of omkijken de weg over, klemde mijn vingers in het gaas en zei vol overgave: “Oh kuikentjes! Ik hou van jullie allemaal!”.

Honden, katjes, koeien, geitjes. Ik wil met alles kroelen. Ik kon mijn geluk niet op toen we vanaf de motor voor het eerst een wilde kameel zagen. En even later een babykameel. “Ohhh kijk een babykameel aaahh Wout zo schattig een babykameel!”

Eenmaal aangekomen in het kleine woestijndorpje Khuri heb ik zo’n beetje tegen alle kamelen een monoloog gehouden. Over dat ze lief en mooi zijn en dat ze vast heel graag gekroeld willen worden enzo.

Kamelen zijn zo gaaf. Een beetje een kruising tussen een paard en een dinosaurus. Ze zijn lief en maf tegelijkertijd.

Jeej, diertjes!

scribam